close
popup_image

fijne recensies !

De Morgen Vlaanderen 19 juni 2013
Patrick Jordens
'Het begint al bij de cover: geen titel of namen vind je daar, wel een bende gezellige gestapelde dieren tegen een roze achtergrond. Een intrigerend en harmonieus beeld is het, 100 procent Tolman.'
'Springende pinguïns- een rood leeslintje incluis- is inderdaad een feestelijk boek geworden, eentje waar de inspiratie en het professionalisme van afstralen.'

NRC Handelsblad 31 mei 2013
Thomas de Veen
'...dit is een boek dat je echt wilt hébben. Springende pinguins is duidelijk een nieuwe stap in het beeldende oeuvre van Tolman, én een culminatie van haar werk tot nu toe.'
• lees het hele artikel onderaan deze lijst •

Standaard der Letteren Vlaanderen 7 juni 2013
Veerle Vanden Bosch
'De hoofdrol is weggelegd voor de beelden: elk dier krijgt een dubbele pagina toebedeeld, met een vorstelijke prent...'
'Dat Marije Tolman een meesterlijk dierentekenaar is, wisten we al..'
'Haar dieren zijn echte personages, ze zijn met panache en humor neergezet.'

Trouw 15 juni 2013
Leonie Breebaart
'Het prentenboek Springende pinguïns en lachende hyena's staat vol spetterende tekeningen van vijftig dieren, tekeningen die ook steeds een interessant dierenweetje illustreren.'

Jaap Leest 21 mei 2013
Jaap Friso
'...het feestelijke overheerst in Springlevende pinguïns en lachende hyena's. Wat een pret straalt er van dit boek af. Er zijn natuurlijk gigantisch veel prentenboeken over dieren en het is knap om daar iets origineels aan toe te voegen.'

NRC Handelsblad • hele artikel •
Thomas de Veen
Als je van het dierenprentenboek Springende pinguïns en lachende hyena’s één verdienste moet noemen, is het misschien wel de blijvende indruk die de komodovaraan achterlaat. In het boek worden precies vijf woorden aan het schubbige reptiel gewijd, maar die blijven wel hangen: ‘Een mannetjeskomodovaraan heeft twee penissen.’
Maar het is niet zozeer de tekst die maakt dat de informatie blijft hangen – de woorden van Jesse Goossens, die de feitjes verzamelde en ze verwerkte tot bijschriften in de marges van de pagina’s, staan op het tweede plan. De hoofdrol is weggelegd voor het beeld, voor illustrator Marije Tolman, die de komodovaraneninformatie in een gouache verwerkte. Daar staat het donkergroene dier: op de rug gezien, kop wat verstoord opzij gedraaid, knieën gespreid, voorpoten die in een veelbetekenende hoek staan en twee gele stralen die in een pisboogje tegen de lichtgroene achtergrond sproeien.

En zo maakt Tolman veel meer dieren onsterfelijk. Ze laat overtuigend zien dat een gordeldier een heel prettig huisdier zou kunnen zijn: haar gordeldier staat vrolijk klaar bij zijn voerbak als zijn baasje met brokjes aankomt. Al even komisch laat ze zien dat onder zeepaardjes de man voor de kinderen zorgt – en meteen ook maar de rest van het huishouden op zich neemt: hij loopt achter de kinderwagen, neemt de kleine zeepaardjes mee in de bakfiets en bakt een stapel pannenkoeken. Maar meestal lichtte Tolman er één karaktereigenschap uit, waarmee ze de dieren portretteerde op zo’n manier dat die eigenschap voorlopig in je brein gebeiteld staat.

Dat hoeven niet altijd onbekende beesten te zijn als tapirs, morpho’s of maraboes. De giraffe staat met gesloten mond en wat nerveuze achterpoten achter een microfoon, terwijl een publiek van boze beren de rotte tomaten al in de aanslag houdt. Zo onthoud je wel dat hij geen stembanden heeft. De zwarte panter is op Tolmans prent net uit een badkuip met inkt gestapt; een stel geel-bruin gevlekte luipaarden staat op het punt te gaan badderen. Zo vergeet je niet meer dat een zwarte panter eigenlijk een zwart luipaard is. De rups staat te gooien met zijn eigen drollen, ter illustratie van het feit dat hij zijn uitwerpselen wegsmijt, ‘zodat de wespen die de rupsen willen opeten niet ruiken waar ze zitten’. Bij een nijlpaard zitten zijn neusgaten hoog, zodat de rest van zijn lijf onder water kan blijven.

Vijftig dierenportretten zijn het, die elk een dubbele pagina vullen – de meeste prentenboeken halen nog niet eenderde van die dikte. Het is een opmerkelijk dik prentenboek van Marije Tolman, een relatief jonge ster in illustratorenland, die met De boomhut (2009) het Gouden Penseel won. Voor de royale boekverzorging is uitgeverij Lemniscaat te prijzen: harde kaft, stevig papier, een druktechniek die de intense kleuren van Tolman schitterend tot hun recht laat komen, een leeslint zelfs. Deze uitgever kijkt niet op een onsje meer of minder.

Het resultaat is ernaar: dit is een boek dat je echt wilt hébben. Springende pinguïns is duidelijk een nieuwe stap in het beeldende oeuvre van Tolman, én een culminatie van haar werk tot nu toe. Je herkent er de humor in waarmee ze de Mejuffrouw Muis-verhalen van Erik van Os en Elle van Lieshout illustreerde. Je herkent de sferische kleuren en de technische beheersing uit haar verstilde, verhaalloze werk in De boomhut en Het eiland (2012). En het is een voortzetting van de compositorische durf die er in haar werk sloop, toen ze de prachtige vrijbrief kreeg om (ook al bij Lemniscaat) de Robin-omnibus van Sjoerd Kuyper te illustreren – maar deze dierentekeningen zijn wat minder lievig.

Daarbij hielp de werkelijkheid haar ditmaal een handje: zie haar verbeelding van de maraboe. Deze Afrikaanse vogel ‘is dol op natuurbrandjes’, aldus Goossens, want hij gaat aan de rand van het vuur zitten wachten op vluchtende dieren: lekkere hapjes. Tolman tekent een vlammenzee met daarnaast een rij stoïcijnse maraboes, bord en bestek onder de vleugel geklemd. En wanneer ze verbeeldt dat krokodillen elkaar opeten, tekent ze tussen de stukken krokodillenvlees een peper-en-zoutstel en een fles tomatenketchup: zo verbloemt ze geen feiten, maar ze hoeft ook niet te shockeren. Daar krijgt de tekening een spannend randje van.

Bovendien: zo kun je je ermee identificeren én onthoud je het. Vaak tref je in kinderboeken antropomorfe dieren aan; Tolman maakte ze ook net als mensen, maar ze zet dat procedé juist in om een diereneigenschap te illustreren. Dat werkt. Het lijkt me moeilijk om ooit nog te vergeten dat een komodovaraan twee stralen piest.